Open brief: ‘Zwaar teleurstellend arrest van het Amsterdamse Hof inzake Taxiboordcomputer’

Open brief: ‘Zwaar teleurstellend arrest van het Amsterdamse Hof inzake Taxiboordcomputer’

Dat schreef mr. (Robert) Peter Kuijper (LL.M), oprichter Advocatenkantoor Kuijper/initiatiefnemer Advocatennetwerk Pro Jure vandaag op in een open brief LinkedIn

Ik beloof getrouwheid aan de koning, gehoorzaamheid aan de grondwet, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn.’

Ruim zestien jaar geleden legde ik deze belofte af, toen nog jong en vol vertrouwen in de rechtsstaat. Hoewel dat vertrouwen een behoorlijke knauw heeft gekregen en ik het lang niet altijd eens ben met uitspraken, lukt het mij in de regel zonder moeite eerbied aan de rechterlijke macht te betrachten al was het alleen omdat ik besef het beroep van rechter allesbehalve gemakkelijk is.

Mede om die reden heb ik in de sociale media en daarbuiten de rechterlijke macht vaak verdedigd en aangevoerd dat er geen aanleiding is voor invoering voor een tuchtrecht jegens zogenaamd tekortschietende rechters. Dát standpunt hanteer ik nog steeds, maar dat betekent nog niet dat ik van mening ben dat de rechterlijke macht feilloos is, laat staan dat ik kritiekloos ben.

Als ik het niet eens ben met de rechter steek ik mijn kritiek ook niet onder stoelen of banken. Gelukkig hoef ik niet te vaak in beroep te gaan en kan ik zelfs, ook als ik het niet eens ben met de rechter, meestal wel begrip op brengen voor een negatief vonnis of arrest. Ik krijg dan ook uiterst zelden te maken met een uitspraak die vér onder de maat is. Gisteren ontving ik echter zo’n zwaar teleurstellende uitspraak van het Amsterdamse Gerechtshof.

De zaak betrof de vermeende schending van art 79 lid Besluit Personenvervoer 1994 dat bepaalt: “De vervoerder die taxivervoer verricht, draagt er zorg voor dat in een auto waarmee taxivervoer wordt verricht een op correcte wijze functionerende boordcomputer aanwezig is waarvoor een typegoedkeuring is verleend, als bedoeld in artikel 22 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.”

De chauffeur in kwestie had uit principiële overwegingen geen boordcomputer aangeschaft en geïnstalleerd. Dat artikel líjkt helder, maar is het zeer zeker niet. Het probleem zit hem in de ‘op correcte wijze functionerende boordcomputer.’ Het feit is namelijk dat die niet bestaat aangezien de overheid er sinds 2009 simpelweg niet in is geslaagd om een boordcomputer op de markt te laten brengen die de doeleinden van de boordcomputer naar behoren vervult en correct functioneert.

Bij de meervoudige economische strafkamer van de Rechtbank Amsterdam zijn in 2018 daarom zeer principiële gronden aangevoerd tegen strafrechtelijke sanctionering wegens afwezigheid van de taxiboordcomputer waarbij onder meer beroep werd gedaan op de vergaande schending op de privacy van chauffeur en passagiers die het gebruik ervan meebrengt en vooral op de al tien jaar niet verholpen ernstige gebreken van de boordcomputer waardoor de “correct werkende boordcomputer” zoals genoemd in de wet simpelweg niet bestaat.

Die gebreken zijn niet gering. In ruim 28% van de gevallen is de overheid om technische redenen niet in staat de boordcomputer uit te lezen om welke reden er geen handhaving plaatsvindt ten aanzien van de Rij- en rusttijdenwet terwijl de boordcomputer juist primair daarvoor is ingevoerd. Voorts geldt dat er volgens de KIWA zelf geregeld en sterker nog in toenemende mate bij het correcte gebruik van de door KIWA afgegeven chauffeurspassen storingen zijn met de computer. Die storingen komen zelfs zo vaak voor en zijn zo ernstig dat KIWA een eigen alternatief voor de boordcomputer heeft ontwikkeld.

De Rechtbank oordeelde in een overigens helder en deugdelijk gemotiveerd vonnis van negen pagina’s dat er inderdaad sprake was van ernstige gebreken en tekortkomingen maar vond daarin anders dan de verdediging, geen aanleiding om tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging te komen voornamelijk omdat de ILT aan de rechtsbank had verteld dat er inderdaad sprake was geweest van grote gebreken maar dat deze in 2018 nagenoeg niet meer voorkwamen. Daar cliënt en ik het niet met die uitspraak eens waren is er hoger beroep aangetekend.

In dat hoger beroep bij de meervoudige economische strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam is onder meer aangevoerd dat de door de ILT aan de Rechtbank overgelegde rapportage waarin stond dat 95% van de controles probleemloos verliep kennelijk onwaar en zelfs bewust leugenachtig was. Ik riep dat overigens niet zomaar, maar deed beroep op eveneens aan de Rechtbank overgelegd bewijs waarin een senior medewerker van de ILT in een niet voor publicatie bedoeld verslag van de Begeleidingcommissie van de boordcomputer aangaf dat in 28% van de gevallen het uitlezen van de boordcomputer – en dus controle – technisch onmogelijk was en in meer dan 20% van de gevallen om andere redenen was van storingen van de boordcomputer bij correct gebruik van de chauffeurspas.

Aangevoerd was voorts dat al geruime tijd bij herhaling was verzocht om duidelijkheid en opgave van de keuringsrapporten en verslagen van de ontwikkeling van de boordcomputer aan welk verzoek niet was voldaan zodat om die reden was verzocht om aanhouding van de behandeling van hoger beroep tot het moment dat die informatie boven water was gekomen. Na een korte raadkamer zitting werd dat verzoek afgewezen waarna ter zitting nog eens uitvoerig werd ingegaan op de gebreken van de boordcomputer.

Hierbij werd uitdrukkelijk gesteld dat:

  1. de ILT aantoonbaar en glashard heeft gelogen over de ernst van de gebreken van de boordcomputer en de beperkingen daardoor voor de controles door de ILT;
  2. aangezien de wetgever heeft verzuimd helder en eenduidig aan te geven wat onder een ‘correct functionerende boordcomputer’ wordt verstaan veroordeling vanwege afwezigheid daarvan strijdig is met het lex certa (legaliteitsbeginsel) in de zin van art. 7 EVRM en om die reden op grond van art. 94 Grondwet buiten toepassing moet worden verklaard zodat geen straf kan worden opgelegd;
  3. anders dan de president van het Gerechtshof tijdens het onderzoek ter terechtzitting had opgemerkt het niet gaat om het hebben van louter een boordcomputer en dat het functioneren los daarvan staat, althans betrekking heeft op een andere vraag, doch dat de betreffende bepaling de aanwezigheid van een ‘correct functionerende boordcomputer’ vereist, het daarbij gaat om een niet op te splitsen bestanddeel, zodat, aangezien de ‘correct functionerende boordcomputer’ aantoonbaar niet bestaat, veroordeling wegens het niet hebben van een boordcomputer ongeacht of deze correct functioneert strijdig is met art 6 lid 1 EVRM;
  4. de chauffeur vanwege het niet bestaan van de ‘correct functionerendé boordcomputer’ hoe dan ook geen schuld kán hebben aan het niet hebben van de ‘correct functionerende boordcomputer’ en om die reden geen straf kán worden opgelegd zonder schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art 6. lid 1 EVRM, temeer nu er sprake is van afwezigheid van alle schuld;
  5. er sprake is van discriminatie in het vervolgingsbeleid daar buitenlandse taxichauffeurs niet worden vervolgd wegens door hen zonder taxiboordcomputer binnen Nederland verricht taxivervoer, hetgeen overigens uitdrukkelijk werd erkend door de Advocaat-Generaal, zodat oplegging van straf niet verenigbaar is met art. 6 lid 1 EVRM;
  6. er sprake was van ongerechtvaardigde aantasting van de privacy in de zin van art. 8 EVRM van de chauffeur en passagiers door oplegging van de plicht van installatie en gebruik van de boordcomputer terwijl deze ook op ondeugdelijke wijze wordt gebruikt voor opsporing van betrokkenheid bij strafbare feiten;
  7. er gelet op het vorenstaande sprake was van het ontbreken van materiele wederrechtelijkheid doordat de chauffeur de bescherming van de privacy van zijn chauffeurs en zichzelf van hoger belang achtte dan de naleving van de betreffende bepaling er gerechtvaardigd er voor koos die hogere norm te volgen;
  8. het Gerechtshof gelet op het vorenstaande hoe dan ook gebruik diende te maken van haar bevoegdheid tot veroordeling zonder oplegging van straf, het zogenaamde rechterlijke pardon.

Anders dan de Rechtbank vond het Gerechtshof het om onduidelijke, doch haar kennelijk moverende redenen niet nodig om – met uitzondering van het verweer inzake het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid – in te gaan op de principiële verweren. Het arrest besloeg amper meer dan één A4, terwijl de inhoudelijke verwerping één alinea besloeg.

Het is te hopen dat de Hoge Raad meer werk maakt van een en ander. WANT DE SLAGEN ZIJN WEL VERLOREN, MAAR DE OORLOG IS NOG NIET GESTREDEN!

  • Wordt vervolgd: Open brief: ‘Zwaar teleurstellend arrest van het Amsterdamse Hof inzake Taxiboordcomputer.’

Een reactie plaatsen

css.php